In de Syrische stad Kobani behaalden de Koerden een overwinning op de Islamitische Staat (IS). Maar ook de Koerdische enclave Afrin werd omsingeld door jihadisten. Journalist Pieter Stockmans trok naar het gebied, en ontdekte er een ándere oorlog dan die uit het avondjournaal: de strijd om de kinderen, die voor het schoolbord wordt uitgevochten. Maak kennis met de kinderen en jongeren die de bouwstenen zijn van een nieuwe Koerdische staat in het noorden.

Tussen twee trekken aan haar sigaret door kijkt Hevi Mustafa, eerste minister van de Autonome Democratie Rojava/kanton Afrin, naar de nieuwe Koerdische zender Ronahi. Op het scherm bestuderen kinderen kaarten van Groot-Koerdistan, en volgen ze Koerdische les.

Mustafa’s generatie groeide op in het Syrië van dictator Bashar Al-Assad, wiens assimilatiebeleid miljoenen Koerden verbood om hun eigen taal te leren lezen en schrijven. Buiten het kantoor knalt muziek door de luidsprekers: de Koerdische Arbeiderspartij PKK viert het begin van de gewapende strijd tegen het Turkse leger, 30 jaar geleden.

Hevi Mustafa, eerste minister Autonome Democratie Rojava/kanton Afrin (c) Xander Stockmans

 

Symbolen van de Syrische revolutie zijn er niet te zien, alleen van de ‘Rojava-revolutie’. Kinderen zwaaien met portretten van PKK-leider Abdullah Öcalan, vrouwen dragen foto’s van geliefden die een martelaarsdood stierven. Sinds 2012, na een korte oorlog tegen het Vrije Syrische Leger, lijfden de Koerden drie stukken van Noord-Syrië in bij de Unie van Gemeenschappen van Koerdistan.

Turkije en het Westen beschouwden die Unie als de politieke arm van de PKK en dus als ‘terroristisch’. De PKK beschouwt ze als een confederale staat met een lokale regering voor elke autonome regio. De Democratische Unie Partij bouwt de staat op, de ‘volksbeschermingseenheden’ (YPG) beschermen de buitengrenzen.

Heiligschennis

Twintig meisjes van de vrouwelijke YPG-afdeling verwelkomen ons met een stevige handdruk in hun trainingskamp. Aan de betonnen muren hangen posters van een jonge Öcalan, geflankeerd door martelaars en besneeuwde bergtoppen. ‘We vechten om zijn verworvenheden te beschermen: onze taal en onze emancipatie’, zegt commandante Sariya terwijl ze thee laat brengen.

‘Als advocate wilde ik vrouwenrechten verdedigen. Maar wat ben ik daarmee als onze vijand van vrouwen slaven wil maken? Vandaag is het zwaard belangrijker dan de pen.’

Aan haar accent te horen is ze een Koerdische uit Turkije. ‘In de gebieden rond ons worden vrouwen onderdrukt, maar in Rojava zullen vrouwen hun leidende positie in de samenleving behouden, dankzij de vrouwelijke martelaars.’

Soldate Roksan ruilde haar studieboeken in voor wapens: ‘Als advocate wilde ik vrouwenrechten verdedigen. Maar wat ben ik daarmee als onze vijand van vrouwen slaven wil maken?’ zegt ze. ‘Vandaag is het zwaard belangrijker dan de pen.’ In het kamp volgen de meisjes lessen militaire strategie, taal, en de filosofie van Öcalan.

Sariya staat erop dat we hen fotograferen boven op een tank die ze op de IS zouden hebben buitgemaakt. Dan beveelt ze een meisje om de bloemen op het binnenplein water te geven. ‘Öcalan bevorderde onze participatie in het leger, maar we blijven vrouwen’, lacht ze. Sommige meisjes zijn nog wat stuntelig met hun kalasjnikov. Het zijn vrijwillige rekruten, maar er zou dienstplicht kunnen komen. Enkel om mensenlevens te beschermen, of ook om meer grondgebied voor de autonome staat te veroveren? Er komt geen antwoord.

Teken- en muzieklessen? Vrouwelijke soldaten? Heiligschennis volgens de buren van de IS en het Nusra Front.

Zelfs in de muziek- en tekenschool van de partij is de stap naar het mitrailleur nooit veraf. Helemaal overstuur zegt een van de meisjes: ‘Dit penseel geeft een uitweg voor onze pijn. Niemand zal ons onze rechten geven, dus grijpen we ze zelf.’ Teken- en muzieklessen? Vrouwelijke soldaten? Heiligschennis volgens de buren van de IS en het Nusra Front.

En er is meer. In het bloedhete sportcentrum lopen meisjes rondjes rond het basketbalveld. ‘Vroeger deed ik nooit aan sport, maar sinds we naar Afrin vluchtten en ik lid werd van de sportclub, wou ik dat ik nooit meer naar huis hoefde’, zegt een elfjarig meisje. Sportclubs zijn nieuw voor de mensen hier, zeker voor meisjes.

(c) Xander Stockmans

 

Nu de oorlog hen daartoe de kans biedt, neemt de emancipatie vanuit de Democratische Unie Partij hand over hand toe. ‘We strijden tegen de dictatuur van Assad, die onze regio nooit heeft ontwikkeld. Maar ook tegen onze eigen opvoedingscultuur, die kinderen zó veel grenzen oplegt’, zegt trainer Avesta Nasif. Haar lip trilt, alsof ze haar gram haalt door meisjes basketbaltraining te geven.

Net zoals de sport stuit ook het theater op verzet. ‘Veel ouders zeggen me dat toneel niets opbrengt’, zegt Haitham Mustafa, de directeur van het nieuwe theatergezelschap. In de theaterzaal repeteert hij met zijn jongeren een stuk over verspild talent.

‘Theater opent de geest van een hele generatie’, zegt hij. ‘Thuis zijn de kinderen veroordeeld tot een anoniem bestaan, maar op het podium worden ze iemand. Kinderen hebben zo veel potentieel, je moet ze gewoon op weg helpen. Rojava wordt een land dat talent apprecieert.’

Dat de blik van veel jongeren op Europa is gericht, heeft alles te maken met het onderwijs. Velen willen na hun achttiende voortstuderen, maar de certificaten van middelbare scholen in Rojava worden niet meer erkend door het regime van Assad.

De kinderen barsten alvast van de energie. Wanneer we na de repetitie op het podium gaan zitten, gooien we een gevoelige vraag in de groep: ‘Wie wil er naar Europa?’ Een jongen legt met een schuine blik de anderen het zwijgen op. ‘Onze vader Öcalan vraagt niet dat we ons land achterlaten, maar dat we het samen opbouwen’, declameert hij. Applaus. Wie niet klapt, is verdacht.

Premier Hevi Mustafa was duidelijk in haar boodschap aan de emigranten: ‘Veel Koerden nemen risico’s om naar Turkije en Europa te migreren. We hopen dat ze hier blijven om hun thuisland te verdedigen, want de jihadisten plannen een offensief om Noord-Syrië in te palmen.’ En toch: lachend klampen de jongens en meisjes van het theatergezelschap ons aan: ‘Neem me mee!’

Versmoorde taal

Dat de blik van veel jongeren op Europa is gericht, heeft alles te maken met het onderwijs. Velen willen na hun achttiende voortstuderen, maar de certificaten van middelbare scholen in Rojava worden niet meer erkend door het regime van Assad. Studenten zitten geblokkeerd tussen twee schoolsystemen.

‘Zeker 70 procent van onze leerlingen wil naar Europa’, zegt Azad Ali, directeur van basisschool De Vrienden. Een van hen is Viyan, een meisje van veertien uit Aleppo. Net zoals honderdduizenden Syriërs die het geweld ontvluchtten, kwam ze naar Afrin, waar ze weer naar school kon. ‘Als er na het middelbaar nog altijd niets veranderd is, wil ik naar mijn tante in Duitsland’, zegt ze. ‘Dan studeer ik Duits en begin ik aan de universiteit.’ Ze laat het als een koud kunstje klinken, maar ze weet best dat er haar nog een hoop beproevingen te wachten staan.

Minister van Onderwijs Riad Mohamed probeert leerlingen als Viyan die beproevingen te besparen. Hij plant hogescholen in Afrin. ‘Er liggen plannen klaar voor een theaterschool, die vakken als muziek, moderne dans en literatuur zal aanbieden’, vertelt de minister ons. ‘Een tweede hogeschool is al operationeel: in de taalschool worden leraars opgeleid die voor het eerst een Koerdisch lessenpakket zullen geven in middelbare scholen.’

Minister van Onderwijs Riad Mohamed (c) Xander Stockmans

 

In de taalschool horen we hoe een vrouw leesoefeningen doet om de grammatica onder de knie te krijgen. Haperend, want Algemeen Koerdisch is niet de spreektaal. Op het bord staat uitleg over Rojava, of ‘West-Koerdistan’, en in een bibliotheek met portretten van Öcalan en Che Guevara lezen vrouwen boeken van Koerdische schrijvers. Hier verrijst een versmoorde taal.

Maar de angst dat de gevechten naar Afrin zouden overslaan, zit er diep in. De Koerdische YPG drong de Islamitische Staat terug uit Kobani, met de steun van Amerikaanse luchtaanvallen, maar begin deze maand viel de IS de andere Koerdische Autonome Regio Jazira aan. Is Afrin de volgende?

Bij het verlaten van de klas loopt Viyan ons achterna. Ze stopt ons een briefje toe. ‘We don’t want armed groups to enter our city.’ Een paar weken later stuurt ze ons een bericht via Facebook: ‘We zijn zenuwachtig, het Nusra Front is onderweg naar Afrin.’ Er was in de buurt een bomauto ontploft. Vier Koerdische soldaten en twee kinderen kwamen om.

Studenten in de lerarenopleiding van de Koerdische taalschool (c) Xander Stockmans

 

Directeur Azad Ali had ons gevraagd om in de klas niet over politiek te praten: ‘We brengen de kinderen geen ideologie bij, alleen liefde voor hun land.’ De vraag is dan: welk land? Syrië of Rojava? ‘Goeie vraag’, lacht hij. Een antwoord vinden we bij het hoofd van de geheime dienst van Afrin: ‘Rojava wordt een deelstaat van een federaal Syrië. Ons zelfbestuur is een model voor de rest van het land: elke religieus-etnische gemeenschap een autonoom bestuur geven is de beste garantie op vreedzaam samenwerken. Anders graaft elke gemeenschap zich in.’

Hij erkent dat ze Syrië federaliseren zonder echt te weten wat de andere deelstaten zijn, maar hij ziet geen andere uitweg: ‘De Syrische oppositie kon ons niet verzekeren dat de rechten van de Koerden in het nieuwe Syrië gegarandeerd zouden zijn, en de jihadisten worden gesteund door machtige landen die onze autonomie niet erkennen.’

Scholen bombarderen

Jihadisten willen geen gedecentraliseerd Syrië met autonome regio’s. Ze willen een centraal geleid kalifaat, over de grenzen heen. We ontmoeten ze in Hatay. De Turkse provincie aan de grens met Syrië, ten westen van Afrin, is een uitvalsbasis voor de gewapende opstand tegen Bashar Al-Assad.

In het openbare ziekenhuis ligt Bassem aan een infuus. Hij zegt dat hij 21 is, maar met zijn naïeve glimlach lijkt hij wel een kind. Na de bloedige onderdrukking van de demonstraties in Homs sloot hij zich aan bij de Farouq Brigades. Burgers en gedeserteerde soldaten hadden zich in die islamistische militie verenigd om het regime van Assad uit Homs te verdrijven.

(c) Willemjan Vandenplas

 

Drie jaar en 3000 doden later is de stad weer onder controle van het Syrische leger, maar de jihadisten konden hun sporen achterlaten. Zo moest Bassem tijdens de belegering van Homs planten eten om te overleven, tot het Nusra Front hem echt voedsel gaf – én ideeën. ‘Tijdens de lessen vertelden sjeiks me dat de Farouq Brigades democratie willen’, zegt hij. ‘Maar nu weet ik dat Syrië tot een kalifaat behoort waar alleen Gods wet mag gelden.’

Je draai vinden in het Turkse onderwijs, vluchten naar Europa: het is een zwaar hindernissenparcours. De jihad, daarentegen, is zo toegankelijk.

Tot vandaag krijgt Bassem voedselhulp en een loon, waarmee hij zijn familie onderhoudt. In een geïmproviseerd veldhospitaal in Reyhanli, een Turks stadje net over de Turks-Syrische grens, ontmoeten we een Nusrastrijder die het kan bevestigen. ‘Ik heb gehoord dat het Nusra Front zorgt voor de families van strijders en martelaars, ja. De Farouq Brigades beloofden wel veel, maar ze gaven niets’, zegt Mohamed, die granaatscherven in zijn hoofd kreeg en voor de helft verlamd raakte.

Net over de grens bombardeert de Syrische luchtmacht opnieuw scholen. Met elke vernielde school kunnen honderden nieuwe Bassems en Mohameds bij de jihadisten terecht, waar ze leren dat het een historische plicht is om de sharia in te voeren en het kalifaat te herstellen.

‘Vorig jaar studeerden 3200 leerlingen af, dit jaar nog maar 1200. De rest is ofwel gevlucht, ofwel bij een militie gegaan.’

Volgens Nizhat Shaheen, onderwijsverantwoordelijke bij de autonome gemeenteraad van ‘bevrijd’ Aleppo, rekruteren sjeiks in 90 procent van de moskeeën jongeren voor de jihad. ‘Strijden is de job die veel jongeren vinden als ze na de middelbare school vast komen te zitten of als hun scholen gebombardeerd worden’, zegt hij. ‘Vorig jaar studeerden 3200 leerlingen af, dit jaar nog maar 1200. De rest is ofwel gevlucht, ofwel bij een militie gegaan.’

 

‘Ongelovige nationalisten’

Shaheen kan niet alle getroffen kinderen bereiken, omdat zijn autonome gemeenteraad maar een deel van de ‘bevrijde’ gebieden controleert. ‘Zelfs binnen onze gebieden weigeren sommige islamistische milities met ons samen te werken’, zegt hij. ‘Ze beheren zelf 30 scholen met 12.000 leerlingen. De raad die de te onderwijzen sharia interpreteert, bestaat uit vertegenwoordigers van jihadistische milities.’

Er is wel nog Kesh Malek, een organisatie die scholen opricht in Aleppo. ‘Wij verbieden om geweld en extremisme te bevorderen op onze scholen, maar we moeten in winkels om steun gaan bedelen’, zegt Maha Ghrer van Kesh Malek. ‘Ondertussen pompen salafistische geestelijken uit de Golflanden fortuinen in religieuze scholen.’

In scholen in het kalifaat van de IS werd het onderwijs afgestemd op een ultraconservatieve toepassing van de sharia. Jongens en meisjes werden gescheiden; muziek, tekenen, filosofie, psychologie en sociologie werden afgeschaft; en het lessenpakket van Saudi-Arabië, waar salafisme de staatsideologie is, werd ingevoerd.

Kinderen wordt ingeprent dat ze ongelovigen moeten afwijzen, en dat de Koerden van de PKK ‘ongelovige nationalisten’ zijn. ‘Toen ik nog meubelmaker was, had ik weleens gehoord over jihad in Irak’, zegt Mohamed. ‘En dankzij de bombardementen van Assad heb ik Gods pad van de jihad leren kennen. Ik zal mijn kinderen meteen over de jihad vertellen.’

Erdogans agenda

We rijden weg van het hospitaal. Achter de prikkeldraad, naast de snelweg tussen Hatay en Reyhanli op een boogscheut van de grens, kleurt de lucht blauw en rood boven de velden. ‘Mensen uit Homs waren de grappigste van het land, en nu zitten die jongens vol haat’, zegt collega Roni Hossein in de bus. ‘Ze lijken wel baby’s die als volwassenen werden geboren. Ze leerden de aarde kennen als een plek waar oorlog heerst.’

Als de oorlog met wapens ooit stopt, zal de ideeënoorlog doorgaan. Ook de Syrische vluchtelingen in Turkije zijn verwikkeld in een ideologische schoolstrijd. Het kleine Reyhanli telt meer dan 30 Syrische scholen, de meeste religieus geïnspireerd. Uit hun websites blijkt dat ze uitblinken in de ondersteuning van leraars en leerlingen. Maar ook dat ze het conflict uitleggen als een strijd van moslims tegen ongelovigen, en dat ze nadruk leggen op wat mag en niet mag volgens een strikte interpretatie van de islam.

(c) Willemjan Vandenplas

 

Een uitzondering is de Orient School, een verzameling containers gefinancierd door een Syrisch-Belgische zakenman. ‘De Turkse overheid laat ons geen scholen openen, terwijl religieuze scholen wel worden gesteund, omdat de Turkse president Recep Tayyip Erdogan een religieuze generatie wil vormen’, zegt directeur Khaled Hadj Othman. Veel van de 2500 leerlingen komen uit Idlib, de stad die achter de horizon wordt gebombardeerd door de Syrische luchtmacht.

In een hete container volgen leerlingen Turkse les. ‘Zodat ze ooit aan een Turkse universiteit kunnen studeren’, zegt de directeur. In een andere container herhalen zes studenten Engelse werkwoordtijden. ‘Als voorbereiding op een reis naar Europa. Ik wil grafisch ontwerper worden’, zegt een jongen.

Je draai vinden in het Turkse onderwijs, vluchten naar Europa: het is een zwaar hindernissenparcours. De jihad, daarentegen, is zo toegankelijk. Toch investeerde België op twee jaar slechts 20 miljoen euro in humanitaire hulp en onderwijs, het sterkste wapen tegen de sociale instorting die de jihadbeweging doet groeien. Ter vergelijking: op zes maanden – begin tot half 2015 – investeerde België 40 miljoen euro in de militaire operatie tegen jihadisten.

(c) Willemjan Vandenplas

 

Westerse en Arabische landen betalen ook mee voor het budget van de Syrische oppositieminister van Onderwijs, Mouheddine Banana, terwijl hij vanuit Turkije amper iets kan betekenen voor scholen in Syrië. ‘We hebben noch een staat, noch een bevolking van wie we belastingen kunnen innen om diensten te verlenen’, zegt Banana. ‘Het regime, de IS en de Koerden hebben eigen gebieden, legers en instellingen op het terrein. Wij niet.’

Unicef ondersteunt wel scholen op het terrein, maar kan de helft van de noden niet invullen. Mohamed Meray, gewezen rector van de economiefaculteit van Damascus University, raadt aan om een deel van het budget van de oppositieregering aan Unicef te geven. ‘Met het jaarloon van die minister en zijn kabinet kunnen 2000 kinderen één jaar lang naar school.’

In sommige gebieden onder controle van het Syrische regime mag de militaristische jeugdbeweging van de Libanese sjiitische partij/militie Hezbollah kinderen met politiek-religieuze lessen voorbereiden om de wapens op te nemen tegen iedereen die de machtspositie van Assad en de sjiieten bedreigt.

Jihadisten en Koerden stomen de volgende generatie dan weer klaar om hún nieuwe staat te verdedigen – voor beide groepen een oude droom, die voortkomt uit hetzelfde antikoloniale verzet. PKK-leider Öcalan schreef in 2005: ‘Het wereldwijde kapitaal bouwt zijn oplossingen op het puin van het Midden-Oosten. Maar de bevolkingen zoeken naar eigen systemen en vrijheid.’ Met wat andere accenten had het zo uit de mond van IS-leider Abu Bakr Al-Baghdadi kunnen komen.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek

Bekijk hier een fotoreportage van fotograaf Xander Stockmans over Rojava, een nieuwe Koerdische staat in Syrië.